Aviva’s Column: Union fait la force

feminist

Als iemand zich liberaal wil noemen, dan is daar niet eerst een examen aan vooraf gegaan om die titel te mogen voeren. Hetzelfde geldt voor feminist.

Hoe meer mensen zich liberaal proclameren hoe beter toch? Dan gaan we niet vitten over hoeveel liberale strijdpunten die persoon onderschrijft, of nagaan of hij/zij behalve tegen belastingen en teveel staatsinmenging ook voor afschaffing van de opkomstplicht voor de verkiezingen is ? Onze congressen tonen aan dat alles wat zich liberaal noemt toch nog flink kan uiteenlopen en een ruim spectrum aan vrije gedachten herbergt.
Om het etiket feminist te mogen opplakken blijken er heel wat meer kattige criteria te bestaan. Het maakt dat de vrouwenbeweging heel snel aan momentum verliest en zich uit elkaar laat spelen op de punten die kunnen verdelen in plaats van focus te houden op hetgeen kan verbinden.

Vereend in waar we tegen zijn
We zijn op een scharniermoment in de geschiedenis, waarvoor we misschien Donald Trump mogen danken (dat ‘danken’ is natuurlijk ironisch bedoeld). Het is zeer lang geleden dat zoveel mensen, over de hele aardbol, zich ZO vereend wisten in het affirmeren van hun toewijding aan “vrouwenrechten als mensenrecht”. Getuige daarvan de marsen na de aanstelling van Trump, een fenomeen dat wereldwijd steun kreeg. Natuurlijk, als mensen zien dat ze iets zouden kunnen inboeten, zullen ze sneller eensgezind naar buiten komen. Natuurlijk, als je focus kan houden op waar je samen tégen bent (de afbraak van mensenrechten), is dat makkelijker dan in de media te moeten uitleggen hoe het mogelijk is dat één betoging pro-abortus protesten draagt maar ook oproepen om hoofddoeken niet te stigmatiseren noch verbieden.

Verdeeld in waar we voor zijn
Iedere voorgaande golf van vrouwenprotest is ook zo begonnen: uiteenlopend en toch één. Tot al snel een vreemde dubbelheid haar intrede doet: enerzijds minachtend doen over de vrouwen die zich (nog) geen feminist durven noemen (zowel de categorie ‘ik ben geen feminist, mààr …’ als de categorie ‘feministen zijn te hysterisch/lesbisch/slechtgekleed, daar hoor ik niet bij’) en tegelijk dié vrouwen die zich wél feminist noemen bijna het recht daartoe willen ontnemen.

Stap niet opnieuw in de val om beroemde of machtige vrouwen die zich feminist durven noemen te brandmerken als ‘geen échte feminist’. Ga het feminisme niet claimen als iets van links. Ga niet vitten over vrouwen die het jargon van gender/kruispuntdenken/gelijkekansen wat door elkaar haspelen en die volgens jou niet eens weten wat gelijkheid m/v precies omvat. Beweer niet dat deze vrouwen het feminisme ‘kapen’. Roep niet dat het feminisme misbruikt wordt als verkapte moslimhaat. Zeg niet dat het nieuwe feminisme in tegenstelling met het oude niet hysterisch/lesbisch/slechtgekleed is, want dat was het toen ook al niet.
Alsjeblief, déze keer niet! Grijp nu die nieuwe kans voor het feminisme om zich te ontdoen van kleinzielige territoriumclaims en zelfomarmde clichés.

1000 bloemen bloeien
Wij moeten niet onmiddellijk klaarstaan om anderen het recht te ontnemen zich feministen te noemen. Het topless-activisme van Femen is uitvergroot, maar niet grotesk en zeker geen karikatuur van feminisme. Grotesk is datgene waartègen zij protesteren. En wat vréémd toch, dat het precies de Dolle Mina’s van vroeger zijn die een feministische banvloek uitroepen over Femen, terwijl wij, de burgertrutten met altijd al meer conventionele methodes, niet bang zijn om ieders vrijheid van methode te verdedigen: laat duizenden feministen bloeien. Met blote boezem of met een Chanel-vestje, met een pussyhat of met een hoofddoek.
Laat ik afsluiten met een uitspraak van de rector van de VUB Caroline Pauwels: “De strijd voor vrouwenrechten is bovenal een strijd voor menselijkheid en mildheid”.

 

Aviva Dierckx

Aviva’s Column: Een coupeke

Pouring champagne into a glasses standing on table

Een nieuwe garçon weet soms niet wat ze bedoelt, wanneer ze, nog voor haar wat kalende bontjas van de schouders gegleden is, al naar de toog roept: “veur maai eh coupeke”. Misschien dat in biercafés iedereen bij naam gekend is, maar in dit soort etablissementen kun je na meer dan dertig jaar trouwe klandizie hoogstens een ‘herkenningsnaam’ hebben, meestal gebaseerd op je fooi-gedrag of op je bestellingsgewoonten. Haar noemen ze ‘het coupeke’.

Veel kans dat die oude coupe-glazen nu eerder gebruikt worden om een chocolademousse in op te dienen, maar vroeger werd er wel degelijk champagne uit gedronken.

Je ziet ze nog wel op brocantemarkten, mooi geslepen champagnecoupes, vaak in kristal dat heerlijk ‘ping’ doet, of zelfs in gekleurd glas. Die glazen gaan vlot van de hand, wegens prachtig en elegant, maar champagne drinken, daarvoor worden ze niet meer gebruikt. De ene presenteert er het dessert in, de ander een krabcocktail. Of … een drinkbare cocktail zoals een Cosmopolitan. Een vriendin van me heeft een rijtje coupeglazen op haar kaptafel staan, eentje voor ringen, eentje voor oorbellen, etc. Door hun hoogsteligheid blijft er ‘een verdiep lager’ nog plaats genoeg voor haarborstels en crème-potjes. En af en toe doet ze ‘ping’ tegen de rand, kwestie van de dag muzikaal te beginnen.

Die hoogsteligheid was overigens een probleem, moeilijk zonder wiebelen vast te houden als het glas vol is. Vandaar dat eerder de hand onder de coupe gleed, of dat er met een über-sierlijk gebaar ‘ondersteboven’ uit het glas gedronken werd. Al hoorde dat wijn-technisch gezien natuurlijk niet: een hoogstelig glas heeft juist als doel dat je met je warme hand de temperatuur van de inhoud van het glas niet doet stijgen (dat doet de kamertemperatuur immers al voor je).

Alles is wetenschap, maar die betekende dus ook de teloorgang van de coupe als vehikel om de champagne naar de lippen te brengen. Immers is men gaan berekenen dat juist het kenmerkende element van champagne (en iedere mousserende wijn), de bubbels dus, sneller vergaan naarmate het oppervlak dat aan lucht blootgesteld wordt groter is. Ook de geur vervliegt op de manier gezwind. Nu vonden onze voorouders dat meestal geen ramp, want vroeger was het zelfs zaak om die bubbels een handje te helpen om te verdwijnen. Dat gebeurde met een roerstaafje, of zelfs een champagnezweepje met bolletjes aan zilverdraad. Dat lijkt ook nu iets voor maaglijders of barbaren, maar vergeet niet dat wij intussen ‘opgevoed’ zijn door de wijn- en culinaire guru’s. Hoewel, opgevoed? Als je ziet hoe in Britse komische series de “bolly” absolutely maar minder fabulously eerder uit sloten dan uit glazen gedronken wordt …

Hoe dan ook, anno 2015 drinken we champagne uit een flûte. En veel kans dat we stillekesaan nog méér heropgevoed gaan worden, want de nieuwste tendensen voor 2016 zijn dat we best champagne uit een glas zoals dat voor witte wijn drinken. Dit zowel voor het neusgevoel als de bubbelsensatie, maar vooral omdat we inmiddels champagne als een ‘gewone’ wijn gaan beschouwen, die we ook bij het eten kunnen drinken. Heel wat grote champy-huizen lanceren mee die trend door zo’n wijnglazen met hun merk erop in geschenkdozen te stoppen.

En toch, en toch … is het door de bubbels, dat dat luxe-gevoel dat we met champagne associëren nooit helemaal weg te krijgen is? En zelfs afstraalt op de kleine en goedkopere zusjes cava en aanverwanten?

In het Café de l’Opéra, waar zowel de bontjassen als de pluche zetels ouderdomsverschijnselen vertonen, drinkt “het coupeke” inmiddels prosecco uit een wijnglas. Ze heeft smakelijk gelachen met “wit wijntje”, de kreet uit de televisieserie … Maar het moest voor haar wel bubbelen. Dus tegenwoordig moet aan een nieuwe garçon uitgelegd worden dat “het coupeke” weliswaar een wit wijntje bestelt maar een prosecco bedoelt, en niet eens meer in een coupe.

Aviva Dierckx

Aviva’s Column: Familiejuwelen

parels groot moeder

“Diamonds are a girl’s best friend” dat zegt me niets. Doe mij maar parels. Die staan voor mij voor pure luxe, elegantie, schoonheid.

Dat komt door mijn grootmoeder. Die had een prachtig parelsnoer waar ze niet zuinig op was, in de zin dat ze het héél vaak droeg. Maar ze was er wél zuinig op, in de zin dat ze er zo liefdevol over sprak als was het een persoon, en dat ze er extreem goed zorg voor droeg. Van het ritueel om de parels om te doen en uit te doen was ik als kind de gefascineerde getuige. Ze lagen niet zomaar op een hoopje met andere sierstukken. Ze gingen apart ‘rusten’ zoals mijn grootmoeder zei, in een mooi doosje. Ze werden er niet gewoon ingelegd en uitgehaald, ze werden elke keer even om en om gekeerd, tegen het licht gehouden, hun discrete glans werd bewonderd, ze werden als een baby teder opgepakt of in zijn bedje te slapen gelegd.

De gebruiksaanwijzing en het onderhoud kreeg ik, ook in dezelfde boudoir-sfeer, vanzelf mee: de parelketting opwrijven met een zachte doek, meer niet. Geen speciale producten, geen truukjes of tips van tante kaat of andere huishoudgoeroes. Heel af en toe kwam er een gewoon sopje met Marseillezeep aan te pas. Ze werden ver uit de buurt gehouden van parfum, haarlak en make-up, volgens oma waren dat “vijanden” die niet met elkaar in contact mochten komen.Eén keer heb ik geweten dat ze uithuizig waren, dit kostbare bezit, en dat mijn grootmoeder er op één of andere manier onvolledig, zelfs een beetje bloot uitzag, zo zonder haar signatuurjuweel om de hals. Ze waren naar de ‘pareldokter’ om opnieuw geknoopt te worden. Oma’s hand ging die week vaak onverrichterzake naar haar naakte hals. Want ook dat was deel van het spel, meermaals per dag werden de parels lichtjes geaaid, en daarmee ook de hals. Het was een gebaar vluchtig genoeg om een controle te vormen: zitten ze er nog? Het was een gebaar onbewust genoeg om troost te bieden, want ook bij grote emoties zou mijn grootmoeder nooit een hand voor de mond slaan noch beide handen in het haar: nee, één hand zou stevig naast de parels tasten. Het was een gebaar bewust genoeg om koket te zijn, een gebaar van ‘ik ben het waard’.

Ik heb gesmeekt om mee te mogen op de grote dag toen de parels teruggehaald werden. En het mocht! Voorafgaand aan een schooluitstapje heb ik nooit wakker gelegen, maar in dit geval was ik twee dagen ervoor al op mijn qui-vive. Ik stelde me een parel-walhalla voor als een grot van ali-baba waar àlles parelmoer blonk, met parelstrengen die van het plafond neerhingen, losse parels in grote schalen waar je als snoepjes uit zou kunnen kiezen en grote spiegels aan alle muren. Haha, welnee. In een gewoon rijhuis moesten we aanbellen, in een sas in de gang blijven staan, en in ruil voor een bonnetje dat eruitzag als dat van de stomerij, kwam een meneertje in stofjas ons een stomme bruine envelop brengen. Pas thuis was de magie er weer, toen uit de ‘discrete’ envelop de parels tevoorschijn kwamen, knus gehuld in een roodfluwelen beursje met satijnen lint toegeknoopt. Mijn grootmoeder zag er weer compleet uit, en ik heb het lint wekenlang in mijn haar gedragen.

Na de dood van mijn grootmoeder bleven de parels ongedragen bij mijn moeder liggen, pas veel later kwamen ze bij mij terecht. Dof, dood zagen ze eruit. Was dàt het magische snoer dat zo straalde, dat mijn grootmoeder zo deed stralen? Ik zocht een nieuwe pareldokter, maar ook deze brak de magie: de parels waren helemaal niet echt, het snoer niet kostbaar, laat staan te redden. Geheel verwonderlijk hoefde dit verdict niet te zijn: mijn oma die na de oorlog compleet van nul weer moest beginnen met niets dan haar leven, wiens kleine kostbaarheden ofwel verkocht ofwel gestolen waren, die aan mij het familieservies beschreef (dat er niet meer was) en haar trouwcadeau, twee zilveren kandelaars (die er niet meer waren) en haar zussen en broers met hun familie (die er ook niet meer waren). Dus inderdaad, waarom zouden haar parels echt geweest zijn…
Ik weet nu dat het liefde was dat het parelsnoer van mijn oma zo deed glanzen. De hare en de mijne.

Aviva Dierckx

Aviva’s Column : Zout op de patatjes, luxe op de boterham?

zout op de patat

Bij mijn grootouders was de oorlog een donkere schaduw die hen achtervolgde tot in tafelgewoonten toe. De geleden ontberingen maakten hen tot hun laatste dag tegenstanders van de verspilling van ook maar één morzeltje voedsel. Ook hun opvattingen over luxe waren door de oorlog ingekleurd. Je deed ofwel boter ofwel beleg op je brood, maar niet allebei want dat was erover, al te gekke en overbodige luxe. En néé het waren geen ‘ollanders en hun keuken was verder niet karig. Om zich luxe-goederen te kunnen veroorloven, zijn er heel wat mensen die bereid zijn het menu te beperken tot boterhammekes met choco (van den Aldi), maar dat was niet het geval bij mijn grootouders. Niets verspillen vonden zij, maar wél lekker eten of eens een specialleke. De zaterdagse middagtraditie van peren en porto als dessert en lekker lang natafelen staat mij tot op vandaag nog voor ogen als luxe in alle betekenissen van het woord.

Hoe relatief luxe is, dat zien we vaak het duidelijkst als we de opvattingen over eten beschouwen.

Wat vroeger doorging voor luxe is nu mainstream – maar verrassend genoeg is ook omgekeerd hetgeen vroeger voor arme-mensenkost doorging, nu echt luxe.
Oesters bijvoorbeeld. Dat zijn we al vergeten. Het was eten dat de arme mensen zelf gingen ‘steken’ op de pier en aan de kades in de haven. Er bestaan beroemde schilderijen met dergelijke taferelen, van schilders die gespecialiseerd waren in “sociale” onderwerpen. Op Cuba is kreeft heel gewoon, je moet er enkel even zelf naar duiken. De niet bepaald kapitaalkrachtige bevolking heeft ontdekt dat het hun budget aardig kan aanvullen als ze het in huiskamer-restaurantjes aan verwende toeristen aanbieden, die het wel als luxe ervaren.

Vlees eten, dat was heus geen dagelijkse bedoening in onze contreien. En dan al zeker niet de ‘mooie stukken’ zoals biefstuk of rosbief. Er waren slagers die zich specialiseerden in vlees voor de minder begoeden, zogenaamd afvalvlees zoals maag, lever, niertjes, poten en oren, bloedworst, en laten we vooral paardenvlees niet vergeten. Tijdens de “vette jaren” verdwenen die slagers één voor één, en uit die tijd dateert ook uiteraard de term ‘biefstukken-socialisten’. Het afvalvlees verstopte zich in zwanworstjes en op iedere Vlaamse tafel stond quasi dagelijks vlees ‘van de goede stukken van het beest’.

Nu zien we weer een omgekeerde tendens: het chique volk beweegt zich als eerste weer in de richting van arme-mensenkost. Wie zich nu in armoede bevindt, zal zich daar niet toe geroepen voelen, want die arme-mensenkost is intussen wel helemaal opgekleed. De restaurants waar hij geserveerd wordt zijn hip en exclusief en mikken op yuppies. De tripes en bloedpansj op de kaart kosten er evenveel als steak of lamsbout.

De aandacht voor duurzaamheid en consuminderen die stilaan opgang maakt is nu de nieuwste luxe-trend bij begoede jonge werkende Vlamingen. Uit principe zéker niet alle dagen vlees! Wel wekelijkse groentepakketten van bij den boer, bio yoghurt, doe-het-zelf aan huis bestelde papieren zakken met recept en ingrediënten die geen afval of overschot geven, enkel vis met een label uit niet overbeviste wateren – en natuurlijk is dit, hoewel minder, allemaal duurder. Soberheid is de nieuwe luxe.

Arme-mensenkost noemen we nu soms ook met een eufemisme ‘de vergeten keuken’. Daar moet ik eigenlijk wel een beetje om lachen. Want het is meestal minder de gerechten of producten zélf die vergeten waren, maar eerder hun “context”.

 

Aviva Dierckx

Aviva’s Column: In de sacoche

Voor een vrouw is een handtas geen luxe. Het is een noodzaak. Wij begrijpen echt niet hoe het mogelijk is het huis uit te gaan zonder. Wij begrijpen evenmin hoe het komt dat mannen àlles wat ze nodig hebben in een (weliswaar bolstaande) portefeuille gepropt krijgen. Bij nader inzien kan dat laatste wèl enigszins verklaard worden, want de meeste mannen bewegen zich door het leven in gezelschap van moeder, eega, zusje of vriendin waaraan ze kunnen vragen : “wil jij dit eens efkes in je handtas voor me meenemen?”. De anderen schaffen zich na verloop van tijd toch zo’n mannen-sacoche aan. En de jongere generatie heeft een rugzak, dat is allemaal door die laptop en die tablet gekomen uiteraard.

Dus, hoewel een handtas op zich geen luxe is, bestaan er daarentegen wèl luxe-handtassen. Lees: handtassen die een normaal maandloon kosten, of zelfs meer. Méér dan een Delvaux. Iconische handtassen. Handtassen genoemd naar koninginnen en filmsterren. Handtasmerken van grote ontwerpers. Handtassen die jij en ik normaal enkel in de ‘Turkse’ versie kennen, als je begrijpt wat ik bedoel.

Toch komt ook dit soort luxe, de echte versie dus, binnen bereik van jouw en mijn normale budget indien we ze zouden huren. Voor een speciale gelegenheid. Zoals je ook een limousine zou huren voor een speciale gelegenheid. Of gewoon om je ook eventjes ‘luxueus’ te voelen. Een Louis Vuitton, Prada of een Gucci-tas? De hipste designermodellen kan je tegenwoordig online huren. Voor een week, veertien dagen, voor een maand. Of met een jaarabonnement, waar je af en toe een ander model hebt. Een bijpassende zonnebril is ook mogelijk.

En ik dènk dat ik weet hoe ik de dames kan herkennen die met een gehuurde sacoche rondlopen. Zij zetten die handtas niét, zoals wij allemaal, naast ons op de grond of onder tafel. Zij zetten die gehuurde Vuitton of Gucci ostentatief OP tafel. Want hij moet zonder een krasje terug ingeleverd worden.

Als we zeggen “het is in de sacoche”, dat betekent dat: het is klaar, het is gelukt, het is geregeld. Heet heel gewone Vlaamse uitdrukking, die onze Nederlandse vrienden misschien niet zullen begrijpen, maar kom. In het Engels zegt men trouwens “it’s in the bag”, met dezelfde betekenis. Heel gewone uitdrukking, hoe vaak heb je die al niet gebruikt? Ik alvast vaak.
Een aantal jaren geleden werd zelfs een Vrouwendag in het teken gesteld van “het is nog niét de sacoche”, alle vrouwenrechten zijn nog niet bereikt, met een grappige tekening van cartooniste Nicole Van Goethem.

Nu heb ik een vriendin die psychoanalyste is. Freud en zo. Zij vertelt dat de vrouwelijke handtas in de psychoanalyse symbool staat voor de vrouwelijke organen. Heel on-respectvol vind ik dat. Voor beiden: de organen en de sacoche.
Maar àls het zo is, levert het natuurlijk wel de verklaring waarom vrouwen de handtas echt als privédomein beschouwen en niet willen dat iedereen er zomaar in rommelt.

En àls dat zo is, is dan ook de uitdrukking “het is in de sacoche” minder onschuldig dan ze lijkt, is ze integendeel misschien seksueel geladen? Een eigenlijk vrouwonvriendelijke uitdrukking uitgevonden door mannen, die nog steeds betekent het is klaar, het is gelukt, het is geregeld, maar dan met de onderliggende seksuele betekenis: ik heb ‘gemogen’ bij die madame, ik heb ‘m in haar ‘sacoche’ mogen steken. Oeps, gaan we nog ooit in volle onschuld dit gezegde bezigen ?

Let wel, deze conversatie had lachend plaats, en bij het nuttigen van enkele cocktails. Maar toch. ..
En toen begonnen we over het woord cocktails…

Aviva Dierckx

Aviva’s Column: Vluchten kan niet meer



We zijn allemaal oud genoeg om ons de jaarovergang van 1999 naar 2000 levendig te herinneren. De Millennium-bug die een scheet in een fles bleek. Laten we hopen de déze winter aangekondigde elektriciteits black-out hetzelfde lot beschoren zal zijn!

Intussen stijgt de spanning, en gaan sommigen zich voorbereiden alsof er een oorlog dreigt en we allemaal de schuilkelders inmoeten.

Van firma’s die relatiegeschenken fabriceren krijg ik de vraag of ik mijn contacten dit jaar, in plaats van een fles bubbels of een stylo met opdruk, niet liever een “overlevingspakket” met een zaklamp, een usb stick met krachtige powerbank en soortgelijk gerief wil aanbieden. Hahaha, goed geprobeerd. Maar dank u, nee.

Als, repeat àls, het zover komt dat ik mij op een gegeven ogenblik in een afgeschakelde zone bevind, dat rol ik me gewoon in een bolletje en doe een dutje.

Kansbereking leert dat die mogelijkheid bestaat maar niet groot is. Op de tijdstippen van mogelijk stroomschaarste (van 17 tot 20u, de normale piekmomenten van verbruik), bevind ik me meestal in onze hoofdstad, waar de kans dus het kleinst is om getroffen te worden, want voor één keer hebben de grootstedelingen een voordeel. 
Mààr, wat als ik me op dat tijdstip in een trein bevind, op weg naar pakweg een vergadering van de Liberale Vrouwen ? De twijfel slaat toe… 
Is het nou wél of niet waar dat zo’n trein ineens in een veld tot stilstand kan komen omdat in gemeente Huppeldepup het licht uitging en de trein daar niet voorbij een overweg-sein kan?

Er circuleren inmiddels evenveel vragen als kwakkels, en de overheidscommunicatie staat bol van de goede tips, maar is nog niet aan dit soort FAQs toegekomen.

Of toch: ik zie opeens dat ook telefoneren wel eens problematisch zou kunnen worden, want de overheidswebsite offon.be vermeldt in één adem “Laad je elektronische toestellen (gsm) vooraf op, vergeet echter niet dat de mobiele netwerken en de vaste telefoonlijnen gestoord kunnen worden tijdens een stroompanne”. Ja, hallo, moet ik dan toch een beetje ongerust beginnen worden?

In een overheidsbedrijf zag ik in de lift een affiche hangen “Hier staat de lift stil. Maar wij blijven gaan”. Het was bedoeld om mensen aan te moedigen om tussen 17 en 20u de trap te nemen en zo elektriciteit te sparen. Maar helaba, mannkes, dan had die affiche niet IN maar buiten de lift moeten hangen hee. Nù riep het bij mij alleen maar de vraag op: wàt met deze lift als de stroom uitvalt terwijl ik erin zit?

En ook de overheid spreekt van een noodpakket (al iets minder erg dan het ‘overlevings’pakket van de firma in relatiegeschenken) en daarin horen: zaklamp, theelichtjes, medicijnen, dekens, kleren, eventueel een radio op batterijen, wat mondvoorraad, en je kiest best één kamer in huis uit om dat klaar te leggen en met het hele gezin dicht bij elkaar te kruipen. Huh? Zo heb ik de zómer doorgebracht, maar dat was in het Midden-Oosten, onder raketaanvallen, in oorlog!

Er staat ook een tip recht uit de ‘warme samenleving’ op de overheidswebsite : “Denk aan kwetsbare personen en buren die medische hulp nodig hebben. Stel aan alleenstaande personen uit je omgeving voor om de uren van stroomonderbreking samen door te brengen”. Heel schoon!

Maar ik heb een beter voorstel: voorkomen is beter dan genezen. Laten we niet lachen met de zaak en liever vooraf vrijwillig stroom bespàren, dan wegens groot verbruik afgeschakeld te worden. 
We hebben ook van de overheid een aantal haast aandoenlijk moederlijke tips gekregen (we konden er zó het beeld bij denken van Annemie en Maggie die de koppen bijeensteken). Als we die met z’n allen toepassen tussen 17 en 20u, dan hoeft het nergens tot tekorten te komen! Met andere woorden: iedereen aan het consuminderen tussen 17 en 20uur, zowel bedrijven als enkelingen. Op dat uur geen wasmachine of vaatwasser laten draaien, de verwarming 2 graadjes lager, niet alle lichten in huis aan, kerstversiering dimmen, gezellig een kaarsje aan en een gezelschapsspelletje spelen in plaats van elk apart op tablet, X-box, gsm, televisie of elektrische gitaar bezig te zijn. En dan was er de ultieme uitsmijter, zeg nou zelf, wélk ander land heeft een regering die zijn bewoners moederlijk toespreekt en zegt: maak vooraf stoofpotjes en éénpansgerechten klaar. En nodig de buren uit. Zo is het samen leuk, én er wordt maar in één huis elektriciteit verbruikt. De warme samenleving, maar dan ter voorkóming van de ramp.

Intussen heb ik toch ook een noodpakketje (zaklamp, warme sokken, chocolade) voor als ik op trein of in lift vast kom te zitten, je weet maar nooit. Er zit ook een lege fles bij. Hopelijk geraakt daar die sch… in.

Aviva Dierckx

Aviva’s Column: De zomer van zwarte piet

Vreemde nieuwszomer, vreemde staat van de wereld. We zijn, zelfs als we niet uit onderwijs-middens komen, toch allemaal zo’n beetje geneigd om te denken dat die zomermaanden een ‘reces’ inhouden, niet enkel in het onderwijs, maar alom. In politiek, gerecht, de media. Het heet toch niet voor niets komkommertijd – dat is omdat er niets gebeurt en je de komkommers kunt horen groeien. Vlaams minister-president Geert Bourgeois vond dat hij wél nieuws had en lanceerde zijn onsterfelijke uitspraak “In volle komkommertijd is van een augurk een komkommer gemaakt”. Van ieder ander hadden we in deze uitspraak zelfs een seksuele dubbele bodem kunnen vermoeden, maar bij onze bonenstaak willen we ons geen augurken voor de geest halen.

Maar kom, gedaan met grappen. Deze zomer was het absolute tegengestelde van komkommer. Het was een zomer die tomaatrood en braamblauw om zich heen spatte. De Belgische regeringsvorming blééf spannend en aan de gang, intussen stond ook de wereld in brand, middenoosten-conflicten werden vertaald naar westerse jodenhaat, Ukraïne en Rusland dansten een gevaarlijke oorlogstango, journalisten werden onthoofd, het ebolavirus rukt op, een Yazidi-stam zit op een bergtop te beven voor een omsingelend moorddadig leger. En wààrover wordt het meest passioneel geschreven op fora? Over de zwarte piet hetze, voor of tegen het feit dat uit de sint-en-piet liedjes alle verwijzingen naar zwart, knecht en roe geschrapt dienen te worden. Ja hallo zeg, wéér zo’n discussie over een virtueel probleem, over lange tenen, misplaatste politieke correctheid en historische onjuistheid – want zwarte piet is toch alleen maar zwart omdat hij door de schoorsteen kruipt? Dat weet toch iedereen? Iemand wil het me verklaren, waarom daarover zoveel passie is en zoveel inkt vloeit: jamaar dat is dichtbij, dat is iets dat we kennen, dat ons raakt, het gaat over één persoon, het heeft een duidelijk verhaal. Euh, persoon? Een fictief personage zal je bedoelen…
Ik had liever gezien dat er meer aandacht was voor dat ene verhaal dat ons bereikte uit de naamloze massa Yazidi’s daar op die berg, het persoonlijke verhaal van dat meisje van 14 dat als cadeautje werd weggegeven aan een ISIS commandant, en vanuit haar opsluiting wist te ontsnappen. Dàt is persoonlijk én tegelijk het verhaal van miljoenen vrouwen die slachtoffer worden van seksueel geweld, daar waar men oorlog als excuus gebruikt om haat, macht en lust tot één cocktail te mixen.
Ik had liever gezien dat er meer aandacht was voor het verhaal van een oorlogsverminkte vrouw in Bukavu die na haar medische én psychologische behandeling bij Mamas for Africa toch nooit meer gere-integreerd raakt in haar dorpsgemeenschap, en een nieuw leven probeert te maken in een vrouwencoöperatief.
Ik had liever gezien dat het vrouwenhuis in Istalief, Afghanistan, niet enkel via de facebookpagina van Jenny kan verhalen over hun moeizame strijd en de moeizame overwinningen, maar eens een volle pagina in de krant waardig is.
Ik had liever gezien dat men in dat middenoosten-verhaal, in plaats van moeders die trots verklaren dat hun dood kind een martelaar is, of moeders die stellig weten dat een god het land verdedigt dat hij trouwens ook geschonken heeft, dat men in de media eerder eens was gaan zoeken naar die Vrouwen in het Zwart, Arabisch én Israëlisch, die vroeger sàmen protesteerden, en hen laten verwoorden wat deze zomer heeft betekent voor wie nog durft dromen van vrede.
Ik had liever gezien dat het droge Belga-berichtje van Unicef “één op tien meisjes wereldwijd slachtoffer van seksueel geweld” niet droogweg werd overgenomen maar had geïnspireerd om cijfers te koppelen aan een uitgespitte reeks persoonlijke en duidelijke verhalen van over de hele tomaatrood en braamblauwbeurs kleurende aardbol.
Want dat Zwarte Piet gedoe, dat is voor mij niét persoonlijk en niét duidelijk en vooral iets voor de komkommertijd, wat deze zomer écht, écht niet was.

Aviva Dierckx,
voorzitter

Lijstjes

We  houden van lijstjes. Ze geven een overzicht. Of een rangschikking. Of een top-zoveel. Met andere woorden: het gaat ofwel over orde of over oordeel.

Best geklede filmsterren-lijst, best verkochte thrillers, meest bekeken televisieprogramma, dat is oordeel. Nooit het laatste oordeel, want er komt altijd weer een nieuwe lijst. Wel een oordeel waaraan we onze eigen mening meten. Ha, de rest van de wereld deelt mijn mening! Bevestiging! Of waardoor we onze eigen mening, bij gebrek aan een eigen, laten beïnvloeden.

De Humo’s pop-poll is een verzameling lijstjes, waar de ‘pop’ inmiddels het minst belangrijke deel van ging uitmaken. Politicus of lul van het jaar zijn twee verschillende Humo-lijstjes, toch kan dezelfde persoon op kop staan. Maar we weten allemaal welk lijstje “ons Maggie” haalde! Dit soort lijstjes, uiteindelijk zijn ze voorbodes van verkiezingslijsten…
Boodschappenlijstjes zijn de andere soort. Orde dus, vooruitdenken, timeplanning, keuzes maken. Boodschappenlijstjes zijn de postbakoefening van het echte leven, van het bedrijfje dat je huishouden is. Of je nou een (groot)moeder van vijf kinderen bent of een van vergadering naar vergadering hollende alleenstaande.

 

Oordeel kan evenwel OOK om het hoekje komen piepen, zélfs bij een ordinair boodschappenlijstje. Mij is het al overkomen dat ik ineens bij het ter hand nemen van mijn post-it met boodschappen een out-of-body ervaring kreeg. Een schrikreactie eigenlijk: dit zielige lijstje, is dàt nou m’n leven? Rap verfrommelen dan. En nadenken waarom dit een zielig lijstje was, niet een zielig leven. En een ander, beter lijstje maken, aanzet voor een kleine bijsturing in je leven.

Wie zegt dan nog dat lijstjes tijdverspilling zijn?
Helemaal niet dus. Ze zijn zelfs wezenlijk onderdeel van de meeste time-management trainingen die op hoog executive niveau gegeven worden. Nooit de neus voor ophalen dus, maar alle bijkomende tips hieromtrent aanpakken! En weten dat je bij de Liberale Vrouwen ook nog steeds zo’n time-management training kan aanvragen.
Een grote vergissing bij beginners in time-management is dat ze wél begrijpen dat ze een to-do lijstje gaan hanteren, al was het maar om de voldoening er dingen op te kunnen afstrepen – yessss, gebeurd! Maar de beginnersfout is dat ze maar één lijstje maken waar taken van allerlei orde, grootheid, haast en aangenaamheid door elkaar fungeren.

Een gouden tip: probeer eens een blad in plaats van een post-it. En deel dat blad in kolommen op. Vier stuks klinkt goed: Werk, Thuis, Vrijwillig en Ikke. Maak alle dagen een nieuw blad. Wat niet doorstreept raakte de vorige dag, schrijf je opnieuw over. Als het er na een paar dagen NOG opstaat, is het tijd voor de vraag: gà je het echt nog wel doén? Ik zeg je: je komt jezelf echt wel tegen op een manier die niet mogelijk is als je géén lijstjes zou maken 🙂  De kolommen hebben als voordeel dat je geen hele secties uit je leven kunt verwaarlozen, zonder dat het goed zichtbaar is in je lijstjes. En ook je brein is opgedeeld in secties, dus waarom je lijstjes niet, right? En je raakt minder in paniek door de lengte van de lijst, als er kolommen nààst elkaar staan in plaats van zo’n lange rol.

Je kan het ook in pure schoonheid doen door een professionele lijstjesmaker te worden in een mooi schriftje. Schrijf nù als taak op: shoppen voor mooi notaboekje. Pràchtige zie je tegenwoordig. En sommigen zijn zelfs geen blanco’s meer! De fabrikanten van schriften en van agenda’s hebben het nieuwe gat in de markt ook ontdekt: het lijstje. Dus je kan tegenwoordig notaboekjes vinden met ‘indelingen’ en secties uit je leven. Of met titels als “wines I drank and liked” of “boeken die ik nog wil lezen”.

De kolom “ikke” op je to-do lijst is een belangrijke barometer. Er moeten ook dingen op belanden waarvoor je jezelf ‘toestemming’ geeft als het ware. Een lang warm bad nemen, bijvoorbeeld. Of die je met de voeten op de grond houden: genoeg water drinken. Of er eens opzetten ‘diep ademhalen’. Wanneer je als een stress-kieken je lijstjes aan het overlopen bent wat je nog allemaal moet doen voor je het kunt afstrepen, is zo’n zelfrelativerende ‘opdracht’ precies wat je nodig hebt.

Aviva Dierckx

Harnas

Wat we als 11-jarigen nog niét konden inschatten, was dat die ridders niet enkel zichzelf, maar ook de thuisblijvende jonkvrouwen in ijzer verpakten, of toch het onderste deel, via het foltertuig dat de geschiedenis inging als ‘kuisheidsgordel’.  In Spontin werd die niet spontaan geëtaleerd, en van dit stukje geschiedenis bleven we dus nog verstoken. Waarschijnlijk zou het ook het bevattingsvermogen van een 11-jarige te boven zijn gegaan, en hadden we het woord kuisheidsgordel giechelend op de zelfde hoogte geplaatst als het woord maandverband: allebei behorend tot het vreemde rijk van de ‘grote’ meisjes. Of toch? Misschien hadden we met dezelfde scherpte waarmee we de ridders-in-blik naar de schroothoop verwezen, ook wel aangevoeld dat er iets niet deugde aan dat in een ijzeren doosje steken van het vrouwelijk doosje.

Zoals ik nù precies kan aanvoelen dat er iets mis is met het zopas triomfantelijk aan de pers voorgesteld anti-verkrachtingsondergoed.

Gewoonweg omdat het, als redenering, in het verlengde ligt van aan meisjes en vrouwen te zeggen dat ze met hun kleding al niet moeten ‘uitnodigen’ tot aanranding en verkrachting. Zorgen dat je onder die ‘zedige’ kledij nu ook anti-verkrachtingsondergoed kunt dragen is nog eens dubbel de verantwoordelijkheid bij vrouwen leggen om te voorkomen dat ze verkracht worden in plaats van te zorgen dat mannen niet verkrachten. Ik zie het nog gebeuren dat er binnenkort in één of andere rechtbank wordt aangehaald dat het slachtoffer niet de nodige voorzichtigheid aan de dag heeft gelegd want ze hàd toch de mogelijkheid om anti-verkrachtingsondergoed aan te trekken…  Op zich is dat vanuit een feministisch discours al genoeg om het hele idee van dat ondergoed van tafel te schuiven.

Maar ook vanuit een fashionistische redenering: dames het deugt niet!

Het onderbroekje is eigen een hotpants. Niet echt vlotjes draagbaar onder elk soort kledij dus, noch voor iedere leeftijd of figuur. Zo bestendigt het weer een vooroordeel: dat het strakke jonge meiden zijn die al joggend de bosjes gesleurd worden door een onbekende aanvaller.

Met een ‘versterkt stuk’ ter hoogte van de pubis, ‘slimme’ en dus sterke stof, en met broekspijpjes die met een soort combinatieslot in de zoom vergrendeld worden, denk ik meteen aan … de middeleeuwen en die kuisheidsgordel. Komaan zeg, we gaan onze onderbroek toch niet op slot doen!

En hoe effectief is het trouwens? De makers, die hun startkapitaal bij elkaar kregen door crowdfunding, beroepen zich op studies waaruit blijkt dat verkrachters de prooi vaak loslaten als de ‘toegangspoort’ niet vlot opengaat, als het te lang duurt en ze vrezen betrapt te worden.  In plaats van anti-verkrachtingsondergoed is het dus eigenlijk vertragingsondergoed. Maar na een leuke publiekscampagne om dit ondergoed aan de vrouw te brengen, gaat de iet of wat professionele verkrachter zich daarvoor ook wel letterlijk ‘wapenen’, en een mes meebrengen om te proberen dat ondergoed van het lijf te snijden au lieu van het lijf te rukken. Is het dàt wat we willen?

Daarbij nog, ik heb de demonstratiefilmpjes bekeken en de conclusie is: hiermee gaan we accidentjes hebben. Hoog water en rap naar het toilet… ai het anti-verkrachtingsondergoed nog ontgrendelen! Oeps, wat is de cijfercombinatie ook weer? En wacht, ik moet eerst m’n leesbril opzetten om m’n onderbroek te kunnen losmaken …

Dus: nee dank je. Geen poesjesharnas. Ik blijf wel bij Marie-Jo.

Aviva Dierckx,

voorzitter