Molenbeek revisited – niet zonder de vrouwen

Molenbeek staat op de wereldkaart sinds “de aanslagen”, in negatieve zin dan, als verzinnebeelding van de hell-hole en als alles waar we schrik voor hebben. Een beeld dat gewoon vrààgt om bijsturing. Khadija Zamouri werd er zopas onze blauwe schepen, minister Sven Gatz schreef de aanslagen van zich af in een Brusselse vertelling genaamd Molenbeek/Maalbeek.

“Ik weet nog altijd niet wat schrijven,” reageerde Brussels parlementslid Khadija Zamouri in een column, exact 2 jaar na de aanslagen van 22 maart 2016, twee-en een half jaar na de aanslag in Parijs op 13 november 2015. Sven Gatz weet het blijkbaar wel, hij schreef er een heel boek over. Het is fictie, en toch zijn het getuigenissen. Het is een roman en toch zit het vol politieke meningen. Het gaat over Brusselaars en over hoe ook niét-Brusselaars het hart van de stad voelen pompen.

Sliding doors
Kent u de film Sliding Doors  uit 1998 met Gwyneth Paltrow? Het is een ”what if-”verhaal  waarin twee verhaallijnen elkaar kruisen. Wanneer het hoofdpersonage naar het station gaat haalt ze in wat-als-1 haar trein, maar in wat-als-2 net niet. Die kleine wankeling in de tijd doet haar leven langs twee volkomen andere pistes lopen: de vrouw die de trein niet haalt betrapt haar partner in bed met een ander, haar andere zelf rekt de relatie nog tot een zwangerschap.

Er is een kleine gelijkenis met  Molenbeek/Maalbeek, het boek van Gatz, die in uiteengerukte tijdsflarden op die noodlottige 22 maart, een aantal mensen volgt die zich de hele dag ook bezig houden met een ‘wat-als’ scenario. Wat als ik eerder vertrokken was en op die metro had gezeten?  Is mijn man die bij de transportmaatschappij werkt veilig? Raak ik straks nog thuis?  Waarom wordt de gsm niet opgenomen? Oh nee, laat mijn geradicaliseerde broer er niét bij zijn, bij de daders!  De dag begint onschuldig, in de heel verschillende milieus van Hamida uit Molenbeek, van een Britse expat voor wie Maalbeek een dagelijks referentiepunt is,  van een Vlaming uit de Rand, een Dansaertstraat-Marokkaan die bij de VRT werkt en alledaags racisme ervaart over zijn ‘goede Nederlands’, een jongen uit een asielcentrum en brandweervrouw Françoise. Naarmate het uur vordert, er meer klaarheid komt over de aard en hoegrootheid van de aanslagen, en het onaards zonnige Brussel in lock-down gaat, lezen we mee in de gedachten van deze personages.

With a little help from your friends
Een auteur moet zijn research doen, en Sven Gatz deed dat onder meer met de hulp van diezelfde Khadija, want zij was zijn intro in het Molenbeekse milieu van mensen die ook nog steeds niet weten wat te zeggen, wat te schrijven, en worstelen om het te verwerken.

Zij vroeg in haar column, 2 jaar na de aanslagen “aan politici die de vreselijke gebeurtenissen willen gebruiken om hun politiek marktaandeel te vergroten door de politieke verantwoordelijkheid in een voorspelbare hoek te leggen, om enige afstand te nemen”. Dat gold niet voor Gatz, die met respect wou vernemen hoe Molenbeek zelf zijn wonden likt. Hij wou in contact komen met de vrouwen uit haar column: “Vooral de Molenbeekse vrouwen kregen het in die periode zwaar te verduren. De confronterende kille blikken van voorbijgangers en de wijzende vingers van de rest van de wereld kwamen bij hen extra hard toe. Zij werden beschouwd als dé verantwoordelijken. Het ging immers om “hun” zonen die de aanslag pleegden”.

Parlementslid Khadija Zamouri, die eind 2018 ook aantrad als kersverse blauwe Molenbeekse schepen voor Jeugd, Sociale cohesie, Netheid en Nederlandstalige aangelegenheden, bracht Gatz in contact met het initiatief Wijkacademie samen met Odisee Hogeschool, ontstaan nà de aanslagen: vrouwen kwamen er samen in iets dat het midden hield tussen een praatgroep en een waarheidscommissie, en konden spreken over de traumatische gebeurtenissen die ook hun levens overhoop hadden gehaald. Hoe leggen moeders uit dat die tot de tanden bewapende militairen in het straatbeeld niet de dreiging zijn, terwijl de kinderen overal in de media horen dat Molenbeek vol terroristen uit hun gemeenschap zit? Kinderen denken dat die soldaten er zijn om hen kwaad te doen, dat ook zij nu als slecht gezien worden. En hoe zit dat in gezinnen die verscheurd worden door radicalisering, of door wanhopige reacties op de stigmatisering die een hele groep ondergaat omdat er rotte appels in de mand liggen?

“Ik heb gezien hoe aangedaan Sven Gatz was na ontmoetingen “in het veld” met deze vrouwen,” weet Kadija Zamouri, “en ik kan met zekerheid zeggen dat de aanslagen mijn gemeente Molenbeek sterk hebben getekend. De gemeente zit, 2 jaar later, nog steeds midden in een proces van traumaverwerking. Natuurlijk is het confronterend om te moeten vaststellen dat alle inspanningen van het beleid ten spijt, we er niet in geslaagd zijn om de jongeren die de aanslagen pleegden op het juiste pad te houden. De daders zijn individueel verantwoordelijk maar hebben ook wij niet gefaald? Als die moeders het zich durven afvragen, moeten we dat ook als maatschappij wel durven doen. Ik geloof dat verandering kan, hoofdzakelijk via vrouwen, al moeten we natuurlijk de mannen en jongens wel mee hebben, anders zijn we serieus “gejost”. Molenbeek keert het tij, zéker met de hulp van mensen van hier die ook vinden dat wel uit dit diepe dal moeten raken”.

Koning
Khadija haalt aan dat Molenbeek positieve ambassadeurs kan gebruiken: “De mensen vergeten de geschiedenis heel snel. Wist u dat Koning Albert, de éérste, na het einde van de eerste wereldoorlog zijn Brusselse blijde intrede deed via Molenbeek en het Zwarte-Vijversplein? Hij maakte daarmee ook een statement! Want zelfs toen al was Molenbeek niet echt de chique kant van Brussel. Historica Sophie De Schaepdrijver geeft aan dat het een strategische keuze was, om het nieuwe sociale contract aan te geven dat hij wilde tussen de burgers en de staat. Dat klinkt toch echt als iets dat vandaag weer helemaal aan de orde is? Met dit in gedachten hebben we om het einde van de oorlog ’14-’18 te gedenken herinnert aan het gewone leven tijdens in Molenbeek tijdens de oorlog, aan de vaak vergeten rol van niet-Europese troepen tijdens het conflict (wat meteen voor heel wat meer ‘linking’ zorgt in een smeltkroesgemeente als Molenbeek), en aan dat trotse moment dat de koning via Molenbeek weer zijn entree maakte. We hebben daar een schitterend project rond opgezet, uitgewerkt door de Vrije Universiteit Brussel, met een expo, lezingen, herdenkingen, en een stadsspel dat jongeren aanspreekt. Door verbondenheid uit het verleden over te tillen naar nu, moeten we er ook in slagen verbondenheid voor een gemeenschappelijke toekomst aan toe te voegen. Molenbeek kan zulke projecten gebruiken, omdat ze op vele niveaus spelen, aan het denken zetten, positief in de wereld staan en willen verbinden. Nog van dat.
Daarom was het een veel meer dan symbolisch dat Koning Filip onlangs de Franse president Macron tijdens zijn staatsbezoek naar Molenbeek bracht, precies dié plaats die voor de wereld synoniem was geworden van een nest van aanslagenplanners. Als hij dat kan overstijgen, geeft dat mij als politica én als mens ook moed om aan de weg te timmeren.”

Auteur: Aviva Dierckx
eerder verschenen in Volkbelang nav het verschijnen van het boek, onder de titel: Molenbeek keert het tij.

Aviva’s Column: De nieuwe economie is vrouwelijk

The Guardian noemde haar de nieuwe John Maynard Keynes, en je hoort ook zeggen dat ze een leesbare Piketty is. Beide stellingen zijn onwaar. Maar econoom Kate Raworth heeft met “Donut Economie – in zeven stappen naar een economie voor de 21e eeuw” een bestseller geschreven en een hype gecreëerd.

De nieuwste economische guru Kate Raworth is Keynes noch Hayek, ze is niet links en niet rechts, en zelfs niet helemaal puur economisch. Het is waar dat haar boek, in tegenstelling tot dat van Pïketty, van eerste tot laatste letter leesbaar is. Maar in tegenstelling tot het zijne is het niet geschreven àls een economisch werk met cijfers en onderbouwingen. Het hare komt vanuit de buik, het is emo-economie.  

In Donut Economie pleit de Britse Kate Raworth dat de mainstream economische modellen niet geschikt zijn voor dit tijdssegment, en stelt daar tegenover een eco-vrouwelijke economie voor de 21e eeuw. Dat legt ze uit met de tekening van een donut.

Beeld van een donut
Een kleine cirkel binnen een grote cirkel.  De ‘eetbare’ donut, het stuk tussen de getekende cirkels, is waar we willen zijn met de mensheid, de veilige en eerlijke haven. Het gat in de donut symboliseert armoede en tekorten die in de wereld bestaan. Wat aan de ander kant buiten de grootste cirkel valt, dat is de bovengrens waar we geen teen in kunnen zetten zonder de wereld uit te putten (milieuvervuiling,…).

Het model
Kate Raworth gebruikt zeven klassieke elementen uit het economisch denken (de markt, het marktevenwicht, de exponentiële groei …)  om die te voorzien van een andere insteek. De nadruk op het BBP en eeuwige groei moet het ontgelden als verouderd concept.  Voor haar dienen twee toetsstenen toegevoegd aan ieder economisch denken : een ecologische agenda en een minimale sociale rechtvaardigheidsopdracht. Het ene een plafond, het andere een drempel.  De drempels waar we volgens haar over moeten en het plafond waar we niet voorbij mogen, zijn doorslagjes van de de Milleniumdoelstellingen van de VN, waar Raworth nog voor gewerkt heeft.
Het is een pleidooi voor circulaire economie, zoveel is zeker. En ook voor redistributie. Niet alleen van inkomen, want het idee van basisinkomen is voor haar geen duurzame oplossing, zij meent dat ook de welvaart moet herverdeeld raken, en dan heeft ze het bijvoorbeeld over land.

Been there, not yet done that
Sommigen zeggen dat haar stellingen radicaal zijn. Nou… Uiteindelijk komt het toch weer neer op “terug naar markt + staat”. Misschien daarom dat niet zozeer groene dan wel conservatieve politici het lijken te omarmen.

Niets is nieuw. Raworth haalt inspiratie bij vrouwelijke duurzaamheidsdenkers uit de jaren 70 en 80. Donella Meadows bijvoorbeeld, een van auteurs  van ‘de grenzen aan de groei’ uit 1972.  Ze neemt stukjes van hun ideeën om ze in haar eigen frame te passen. Dat is prima om aan te geven dat die ideeën nog steeds fris zijn en dat het misschien pas nù is dat de geesten er meer rijp voor zijn, maar het is wat kort door de bocht als het voorgesteld wordt alsof er sindsdien niet meer nagedacht werd, geen nieuwe inzichten ontwikkeld.
“Het gaat niet om het ik en nu, maar om het wij en later,” zegt Balkenende, die grote fan is. Maar liberalen zien het minder beperkend: het moet wel degelijk blijven gaan om ik en nu, zonder het totaalplaatje van wij en later uit het oog te verliezen.
Al bij al een boek dat, hoewel het oude ideeën nieuw verpakt en anders samen schikt, belangrijke lectuur biedt, omdat het aanzet om breder over economie na te denken dan we op dit moment doen, en omdat het de stelling aanhangt dat economie te belangrijk is om haar enkel aan de economen over te laten. Daardoor kunnen wij Raworth haar eerder retorische pleidooi wel vergeven.

Aviva Dierckx
eerder verschenen in Volksbelang

“Donut Economie” van Kate Raworth  uitgeverij Nieuw Amsterdam, 352 blz. ISBN 9789046823187

Aviva’s column: Het nieuwe vertrouwen

“Je leest het in de kranten: het avondland is moe. Veel mensen leggen verslagen de handen in hun schoot. ‘De politiek is te groot geworden,’ zuchten ze, ‘we zijn alle grip kwijt,’ Met dit boek wil Rik Pinxten al deze wanhopigen, ontmoedigden en gedemoraliseerden een hart onder de riem steken, want hij ziet alternatieven.”  

Onder liberalen zal je natuurlijk geen wanhopigen , ontmoedigden en gedemoraliseerden aantreffen, maar voor alle anderen biedt Vlaanderens befaamdste antropoloog een dicht-bij-huis laagdrempelig een naar eigen zeggen positief antwoord. Dat antwoord moet mensen uit de lethargie halen waar ze na de bankencrisis in bleven haperen, hierin gesterkt door Leterme, die echt als premier zei dat je het wantrouwen moet laten regeren, en niét het vertrouwen. Een klassieke en pessimistische conservatieve stelling, waar zowel sossen als liberalen de kriebels van krijgen.

Vertrouwen

De Mens Nu, humanistische sterkhouder en klassieke verbinder tussen blauw en rood, bracht Rik Pinxten aan tafel met de burgerbeweging BRAL en moderator Karel Van Dinter voor een boekvoorstelling in de Brusselse literaire tempel Passa Porta.
En daar viel meteen de opmerking dat het boek eindigt met de frase “een wereld met herwonnen vertrouwen”, wat de titel “Het nieuwe vertrouwen” geleverd heeft, maar verder komt het woord vertrouwen niet één keer voor … dus wààr zit ‘m dat vertrouwen dan in ? De auteur kan maar monkelen dat hij zelf eerder wantrouwen heeft tegenover de politiek maar volle vertrouwen in de kracht van mensen die zélf de kaart van een meer medemenselijke en natuurvriendelijke wereld trekken. ‘Het verbindend verhaal zoeken’ in plaats van uit te gaan van verdeling en hokjesdenken, is misschien nog meer een sleutelterm dan dat ‘nieuwe vertrouwen’. Als politiek noch economie hoop geven, mogen mensen niet denken dat ze zelf niets vermogen, maar kunnen ze los van de grote pistes eigen kleine pistes gaan schaatsen.

Vertelselkes

De auteur ziet dat al gebeuren, en wil het versterken door voorbeelden te geven, en herkenbare situaties aan te reiken. Daartoe voert hij een fictief gezin op die in cursief hun levenswandel en hun geleefd-worden mogen ventileren, om later in het boek te komen tot aha-verbinding met elkaar en met hun buren, al is het maar om samen een moestuin-project op te zetten.

Door de maag
De weg van vertrouwen en verandering gaat door de maag, moet de auteur gedacht hebben. Wat is iets dat iédereen bezighoudt, en waar je kan proberen zélf controle over te krijgen. Juist: voedsel. “Eeuwenlang een zaak tussen lokale groepen en families,” stelt de auteur, “Wordt het geen tijd onze dagelijkse kost uit handen van de agro-industrie te trekken?”  De auteur was een van de early-adopters van de “think global, act local” gedachte, en heeft hier een eerbare poging gedaan om dat zeer laagdrempelig kaan een concrete insteek te vertalen, voor dié mensen die eerder tot de late-adopters behoren. Dat is meteen ook de grote verdienste van dit boek dat hinkstapt tussen een economische kritiek en een antropologische benadering van de huidige identiteitscrisis. Waar het mangelt is in de gemiste kans om ook het verbindend verhaal tussen rechts en links hier mee in te steken, wat écht wel mogelijk is. Maar dan moet je niet alleen (Hannah Arendt-gewijs) het begrippenkader over links/rechts, recht/voorrecht, universeel/relatief even in context van het verbindend denken en het nieuwe vertrouwen duidelijk omschrijven, maar dat ook durven en willen toepassen op de al te kwistig gehanteerde en lege term ‘neoliberalisme’.

Aviva Dierckx

 

BOEKBESPREKING – Verschenen in “Het Volksbelang” van LVV
“Het nieuwe vertrouwen” van Rik Pinxten
Uitgeverij EPO
ISBN 978946267192-4

Aviva’s Column: Union fait la force

feminist

Als iemand zich liberaal wil noemen, dan is daar niet eerst een examen aan vooraf gegaan om die titel te mogen voeren. Hetzelfde geldt voor feminist.

Hoe meer mensen zich liberaal proclameren hoe beter toch? Dan gaan we niet vitten over hoeveel liberale strijdpunten die persoon onderschrijft, of nagaan of hij/zij behalve tegen belastingen en teveel staatsinmenging ook voor afschaffing van de opkomstplicht voor de verkiezingen is ? Onze congressen tonen aan dat alles wat zich liberaal noemt toch nog flink kan uiteenlopen en een ruim spectrum aan vrije gedachten herbergt.
Om het etiket feminist te mogen opplakken blijken er heel wat meer kattige criteria te bestaan. Het maakt dat de vrouwenbeweging heel snel aan momentum verliest en zich uit elkaar laat spelen op de punten die kunnen verdelen in plaats van focus te houden op hetgeen kan verbinden.

Vereend in waar we tegen zijn
We zijn op een scharniermoment in de geschiedenis, waarvoor we misschien Donald Trump mogen danken (dat ‘danken’ is natuurlijk ironisch bedoeld). Het is zeer lang geleden dat zoveel mensen, over de hele aardbol, zich ZO vereend wisten in het affirmeren van hun toewijding aan “vrouwenrechten als mensenrecht”. Getuige daarvan de marsen na de aanstelling van Trump, een fenomeen dat wereldwijd steun kreeg. Natuurlijk, als mensen zien dat ze iets zouden kunnen inboeten, zullen ze sneller eensgezind naar buiten komen. Natuurlijk, als je focus kan houden op waar je samen tégen bent (de afbraak van mensenrechten), is dat makkelijker dan in de media te moeten uitleggen hoe het mogelijk is dat één betoging pro-abortus protesten draagt maar ook oproepen om hoofddoeken niet te stigmatiseren noch verbieden.

Verdeeld in waar we voor zijn
Iedere voorgaande golf van vrouwenprotest is ook zo begonnen: uiteenlopend en toch één. Tot al snel een vreemde dubbelheid haar intrede doet: enerzijds minachtend doen over de vrouwen die zich (nog) geen feminist durven noemen (zowel de categorie ‘ik ben geen feminist, mààr …’ als de categorie ‘feministen zijn te hysterisch/lesbisch/slechtgekleed, daar hoor ik niet bij’) en tegelijk dié vrouwen die zich wél feminist noemen bijna het recht daartoe willen ontnemen.

Stap niet opnieuw in de val om beroemde of machtige vrouwen die zich feminist durven noemen te brandmerken als ‘geen échte feminist’. Ga het feminisme niet claimen als iets van links. Ga niet vitten over vrouwen die het jargon van gender/kruispuntdenken/gelijkekansen wat door elkaar haspelen en die volgens jou niet eens weten wat gelijkheid m/v precies omvat. Beweer niet dat deze vrouwen het feminisme ‘kapen’. Roep niet dat het feminisme misbruikt wordt als verkapte moslimhaat. Zeg niet dat het nieuwe feminisme in tegenstelling met het oude niet hysterisch/lesbisch/slechtgekleed is, want dat was het toen ook al niet.
Alsjeblief, déze keer niet! Grijp nu die nieuwe kans voor het feminisme om zich te ontdoen van kleinzielige territoriumclaims en zelfomarmde clichés.

1000 bloemen bloeien
Wij moeten niet onmiddellijk klaarstaan om anderen het recht te ontnemen zich feministen te noemen. Het topless-activisme van Femen is uitvergroot, maar niet grotesk en zeker geen karikatuur van feminisme. Grotesk is datgene waartègen zij protesteren. En wat vréémd toch, dat het precies de Dolle Mina’s van vroeger zijn die een feministische banvloek uitroepen over Femen, terwijl wij, de burgertrutten met altijd al meer conventionele methodes, niet bang zijn om ieders vrijheid van methode te verdedigen: laat duizenden feministen bloeien. Met blote boezem of met een Chanel-vestje, met een pussyhat of met een hoofddoek.
Laat ik afsluiten met een uitspraak van de rector van de VUB Caroline Pauwels: “De strijd voor vrouwenrechten is bovenal een strijd voor menselijkheid en mildheid”.

 

Aviva Dierckx

Aviva’s Column: Een coupeke

Pouring champagne into a glasses standing on table

Een nieuwe garçon weet soms niet wat ze bedoelt, wanneer ze, nog voor haar wat kalende bontjas van de schouders gegleden is, al naar de toog roept: “veur maai eh coupeke”. Misschien dat in biercafés iedereen bij naam gekend is, maar in dit soort etablissementen kun je na meer dan dertig jaar trouwe klandizie hoogstens een ‘herkenningsnaam’ hebben, meestal gebaseerd op je fooi-gedrag of op je bestellingsgewoonten. Haar noemen ze ‘het coupeke’.

Veel kans dat die oude coupe-glazen nu eerder gebruikt worden om een chocolademousse in op te dienen, maar vroeger werd er wel degelijk champagne uit gedronken.

Je ziet ze nog wel op brocantemarkten, mooi geslepen champagnecoupes, vaak in kristal dat heerlijk ‘ping’ doet, of zelfs in gekleurd glas. Die glazen gaan vlot van de hand, wegens prachtig en elegant, maar champagne drinken, daarvoor worden ze niet meer gebruikt. De ene presenteert er het dessert in, de ander een krabcocktail. Of … een drinkbare cocktail zoals een Cosmopolitan. Een vriendin van me heeft een rijtje coupeglazen op haar kaptafel staan, eentje voor ringen, eentje voor oorbellen, etc. Door hun hoogsteligheid blijft er ‘een verdiep lager’ nog plaats genoeg voor haarborstels en crème-potjes. En af en toe doet ze ‘ping’ tegen de rand, kwestie van de dag muzikaal te beginnen.

Die hoogsteligheid was overigens een probleem, moeilijk zonder wiebelen vast te houden als het glas vol is. Vandaar dat eerder de hand onder de coupe gleed, of dat er met een über-sierlijk gebaar ‘ondersteboven’ uit het glas gedronken werd. Al hoorde dat wijn-technisch gezien natuurlijk niet: een hoogstelig glas heeft juist als doel dat je met je warme hand de temperatuur van de inhoud van het glas niet doet stijgen (dat doet de kamertemperatuur immers al voor je).

Alles is wetenschap, maar die betekende dus ook de teloorgang van de coupe als vehikel om de champagne naar de lippen te brengen. Immers is men gaan berekenen dat juist het kenmerkende element van champagne (en iedere mousserende wijn), de bubbels dus, sneller vergaan naarmate het oppervlak dat aan lucht blootgesteld wordt groter is. Ook de geur vervliegt op de manier gezwind. Nu vonden onze voorouders dat meestal geen ramp, want vroeger was het zelfs zaak om die bubbels een handje te helpen om te verdwijnen. Dat gebeurde met een roerstaafje, of zelfs een champagnezweepje met bolletjes aan zilverdraad. Dat lijkt ook nu iets voor maaglijders of barbaren, maar vergeet niet dat wij intussen ‘opgevoed’ zijn door de wijn- en culinaire guru’s. Hoewel, opgevoed? Als je ziet hoe in Britse komische series de “bolly” absolutely maar minder fabulously eerder uit sloten dan uit glazen gedronken wordt …

Hoe dan ook, anno 2015 drinken we champagne uit een flûte. En veel kans dat we stillekesaan nog méér heropgevoed gaan worden, want de nieuwste tendensen voor 2016 zijn dat we best champagne uit een glas zoals dat voor witte wijn drinken. Dit zowel voor het neusgevoel als de bubbelsensatie, maar vooral omdat we inmiddels champagne als een ‘gewone’ wijn gaan beschouwen, die we ook bij het eten kunnen drinken. Heel wat grote champy-huizen lanceren mee die trend door zo’n wijnglazen met hun merk erop in geschenkdozen te stoppen.

En toch, en toch … is het door de bubbels, dat dat luxe-gevoel dat we met champagne associëren nooit helemaal weg te krijgen is? En zelfs afstraalt op de kleine en goedkopere zusjes cava en aanverwanten?

In het Café de l’Opéra, waar zowel de bontjassen als de pluche zetels ouderdomsverschijnselen vertonen, drinkt “het coupeke” inmiddels prosecco uit een wijnglas. Ze heeft smakelijk gelachen met “wit wijntje”, de kreet uit de televisieserie … Maar het moest voor haar wel bubbelen. Dus tegenwoordig moet aan een nieuwe garçon uitgelegd worden dat “het coupeke” weliswaar een wit wijntje bestelt maar een prosecco bedoelt, en niet eens meer in een coupe.

Aviva Dierckx

Aviva’s Column: Familiejuwelen

parels groot moeder

“Diamonds are a girl’s best friend” dat zegt me niets. Doe mij maar parels. Die staan voor mij voor pure luxe, elegantie, schoonheid.

Dat komt door mijn grootmoeder. Die had een prachtig parelsnoer waar ze niet zuinig op was, in de zin dat ze het héél vaak droeg. Maar ze was er wél zuinig op, in de zin dat ze er zo liefdevol over sprak als was het een persoon, en dat ze er extreem goed zorg voor droeg. Van het ritueel om de parels om te doen en uit te doen was ik als kind de gefascineerde getuige. Ze lagen niet zomaar op een hoopje met andere sierstukken. Ze gingen apart ‘rusten’ zoals mijn grootmoeder zei, in een mooi doosje. Ze werden er niet gewoon ingelegd en uitgehaald, ze werden elke keer even om en om gekeerd, tegen het licht gehouden, hun discrete glans werd bewonderd, ze werden als een baby teder opgepakt of in zijn bedje te slapen gelegd.

De gebruiksaanwijzing en het onderhoud kreeg ik, ook in dezelfde boudoir-sfeer, vanzelf mee: de parelketting opwrijven met een zachte doek, meer niet. Geen speciale producten, geen truukjes of tips van tante kaat of andere huishoudgoeroes. Heel af en toe kwam er een gewoon sopje met Marseillezeep aan te pas. Ze werden ver uit de buurt gehouden van parfum, haarlak en make-up, volgens oma waren dat “vijanden” die niet met elkaar in contact mochten komen.Eén keer heb ik geweten dat ze uithuizig waren, dit kostbare bezit, en dat mijn grootmoeder er op één of andere manier onvolledig, zelfs een beetje bloot uitzag, zo zonder haar signatuurjuweel om de hals. Ze waren naar de ‘pareldokter’ om opnieuw geknoopt te worden. Oma’s hand ging die week vaak onverrichterzake naar haar naakte hals. Want ook dat was deel van het spel, meermaals per dag werden de parels lichtjes geaaid, en daarmee ook de hals. Het was een gebaar vluchtig genoeg om een controle te vormen: zitten ze er nog? Het was een gebaar onbewust genoeg om troost te bieden, want ook bij grote emoties zou mijn grootmoeder nooit een hand voor de mond slaan noch beide handen in het haar: nee, één hand zou stevig naast de parels tasten. Het was een gebaar bewust genoeg om koket te zijn, een gebaar van ‘ik ben het waard’.

Ik heb gesmeekt om mee te mogen op de grote dag toen de parels teruggehaald werden. En het mocht! Voorafgaand aan een schooluitstapje heb ik nooit wakker gelegen, maar in dit geval was ik twee dagen ervoor al op mijn qui-vive. Ik stelde me een parel-walhalla voor als een grot van ali-baba waar àlles parelmoer blonk, met parelstrengen die van het plafond neerhingen, losse parels in grote schalen waar je als snoepjes uit zou kunnen kiezen en grote spiegels aan alle muren. Haha, welnee. In een gewoon rijhuis moesten we aanbellen, in een sas in de gang blijven staan, en in ruil voor een bonnetje dat eruitzag als dat van de stomerij, kwam een meneertje in stofjas ons een stomme bruine envelop brengen. Pas thuis was de magie er weer, toen uit de ‘discrete’ envelop de parels tevoorschijn kwamen, knus gehuld in een roodfluwelen beursje met satijnen lint toegeknoopt. Mijn grootmoeder zag er weer compleet uit, en ik heb het lint wekenlang in mijn haar gedragen.

Na de dood van mijn grootmoeder bleven de parels ongedragen bij mijn moeder liggen, pas veel later kwamen ze bij mij terecht. Dof, dood zagen ze eruit. Was dàt het magische snoer dat zo straalde, dat mijn grootmoeder zo deed stralen? Ik zocht een nieuwe pareldokter, maar ook deze brak de magie: de parels waren helemaal niet echt, het snoer niet kostbaar, laat staan te redden. Geheel verwonderlijk hoefde dit verdict niet te zijn: mijn oma die na de oorlog compleet van nul weer moest beginnen met niets dan haar leven, wiens kleine kostbaarheden ofwel verkocht ofwel gestolen waren, die aan mij het familieservies beschreef (dat er niet meer was) en haar trouwcadeau, twee zilveren kandelaars (die er niet meer waren) en haar zussen en broers met hun familie (die er ook niet meer waren). Dus inderdaad, waarom zouden haar parels echt geweest zijn…
Ik weet nu dat het liefde was dat het parelsnoer van mijn oma zo deed glanzen. De hare en de mijne.

Aviva Dierckx

Aviva’s Column : Zout op de patatjes, luxe op de boterham?

zout op de patat

Bij mijn grootouders was de oorlog een donkere schaduw die hen achtervolgde tot in tafelgewoonten toe. De geleden ontberingen maakten hen tot hun laatste dag tegenstanders van de verspilling van ook maar één morzeltje voedsel. Ook hun opvattingen over luxe waren door de oorlog ingekleurd. Je deed ofwel boter ofwel beleg op je brood, maar niet allebei want dat was erover, al te gekke en overbodige luxe. En néé het waren geen ‘ollanders en hun keuken was verder niet karig. Om zich luxe-goederen te kunnen veroorloven, zijn er heel wat mensen die bereid zijn het menu te beperken tot boterhammekes met choco (van den Aldi), maar dat was niet het geval bij mijn grootouders. Niets verspillen vonden zij, maar wél lekker eten of eens een specialleke. De zaterdagse middagtraditie van peren en porto als dessert en lekker lang natafelen staat mij tot op vandaag nog voor ogen als luxe in alle betekenissen van het woord.

Hoe relatief luxe is, dat zien we vaak het duidelijkst als we de opvattingen over eten beschouwen.

Wat vroeger doorging voor luxe is nu mainstream – maar verrassend genoeg is ook omgekeerd hetgeen vroeger voor arme-mensenkost doorging, nu echt luxe.
Oesters bijvoorbeeld. Dat zijn we al vergeten. Het was eten dat de arme mensen zelf gingen ‘steken’ op de pier en aan de kades in de haven. Er bestaan beroemde schilderijen met dergelijke taferelen, van schilders die gespecialiseerd waren in “sociale” onderwerpen. Op Cuba is kreeft heel gewoon, je moet er enkel even zelf naar duiken. De niet bepaald kapitaalkrachtige bevolking heeft ontdekt dat het hun budget aardig kan aanvullen als ze het in huiskamer-restaurantjes aan verwende toeristen aanbieden, die het wel als luxe ervaren.

Vlees eten, dat was heus geen dagelijkse bedoening in onze contreien. En dan al zeker niet de ‘mooie stukken’ zoals biefstuk of rosbief. Er waren slagers die zich specialiseerden in vlees voor de minder begoeden, zogenaamd afvalvlees zoals maag, lever, niertjes, poten en oren, bloedworst, en laten we vooral paardenvlees niet vergeten. Tijdens de “vette jaren” verdwenen die slagers één voor één, en uit die tijd dateert ook uiteraard de term ‘biefstukken-socialisten’. Het afvalvlees verstopte zich in zwanworstjes en op iedere Vlaamse tafel stond quasi dagelijks vlees ‘van de goede stukken van het beest’.

Nu zien we weer een omgekeerde tendens: het chique volk beweegt zich als eerste weer in de richting van arme-mensenkost. Wie zich nu in armoede bevindt, zal zich daar niet toe geroepen voelen, want die arme-mensenkost is intussen wel helemaal opgekleed. De restaurants waar hij geserveerd wordt zijn hip en exclusief en mikken op yuppies. De tripes en bloedpansj op de kaart kosten er evenveel als steak of lamsbout.

De aandacht voor duurzaamheid en consuminderen die stilaan opgang maakt is nu de nieuwste luxe-trend bij begoede jonge werkende Vlamingen. Uit principe zéker niet alle dagen vlees! Wel wekelijkse groentepakketten van bij den boer, bio yoghurt, doe-het-zelf aan huis bestelde papieren zakken met recept en ingrediënten die geen afval of overschot geven, enkel vis met een label uit niet overbeviste wateren – en natuurlijk is dit, hoewel minder, allemaal duurder. Soberheid is de nieuwe luxe.

Arme-mensenkost noemen we nu soms ook met een eufemisme ‘de vergeten keuken’. Daar moet ik eigenlijk wel een beetje om lachen. Want het is meestal minder de gerechten of producten zélf die vergeten waren, maar eerder hun “context”.

 

Aviva Dierckx

Aviva’s Column: In de sacoche

Voor een vrouw is een handtas geen luxe. Het is een noodzaak. Wij begrijpen echt niet hoe het mogelijk is het huis uit te gaan zonder. Wij begrijpen evenmin hoe het komt dat mannen àlles wat ze nodig hebben in een (weliswaar bolstaande) portefeuille gepropt krijgen. Bij nader inzien kan dat laatste wèl enigszins verklaard worden, want de meeste mannen bewegen zich door het leven in gezelschap van moeder, eega, zusje of vriendin waaraan ze kunnen vragen : “wil jij dit eens efkes in je handtas voor me meenemen?”. De anderen schaffen zich na verloop van tijd toch zo’n mannen-sacoche aan. En de jongere generatie heeft een rugzak, dat is allemaal door die laptop en die tablet gekomen uiteraard.

Dus, hoewel een handtas op zich geen luxe is, bestaan er daarentegen wèl luxe-handtassen. Lees: handtassen die een normaal maandloon kosten, of zelfs meer. Méér dan een Delvaux. Iconische handtassen. Handtassen genoemd naar koninginnen en filmsterren. Handtasmerken van grote ontwerpers. Handtassen die jij en ik normaal enkel in de ‘Turkse’ versie kennen, als je begrijpt wat ik bedoel.

Toch komt ook dit soort luxe, de echte versie dus, binnen bereik van jouw en mijn normale budget indien we ze zouden huren. Voor een speciale gelegenheid. Zoals je ook een limousine zou huren voor een speciale gelegenheid. Of gewoon om je ook eventjes ‘luxueus’ te voelen. Een Louis Vuitton, Prada of een Gucci-tas? De hipste designermodellen kan je tegenwoordig online huren. Voor een week, veertien dagen, voor een maand. Of met een jaarabonnement, waar je af en toe een ander model hebt. Een bijpassende zonnebril is ook mogelijk.

En ik dènk dat ik weet hoe ik de dames kan herkennen die met een gehuurde sacoche rondlopen. Zij zetten die handtas niét, zoals wij allemaal, naast ons op de grond of onder tafel. Zij zetten die gehuurde Vuitton of Gucci ostentatief OP tafel. Want hij moet zonder een krasje terug ingeleverd worden.

Als we zeggen “het is in de sacoche”, dat betekent dat: het is klaar, het is gelukt, het is geregeld. Heet heel gewone Vlaamse uitdrukking, die onze Nederlandse vrienden misschien niet zullen begrijpen, maar kom. In het Engels zegt men trouwens “it’s in the bag”, met dezelfde betekenis. Heel gewone uitdrukking, hoe vaak heb je die al niet gebruikt? Ik alvast vaak.
Een aantal jaren geleden werd zelfs een Vrouwendag in het teken gesteld van “het is nog niét de sacoche”, alle vrouwenrechten zijn nog niet bereikt, met een grappige tekening van cartooniste Nicole Van Goethem.

Nu heb ik een vriendin die psychoanalyste is. Freud en zo. Zij vertelt dat de vrouwelijke handtas in de psychoanalyse symbool staat voor de vrouwelijke organen. Heel on-respectvol vind ik dat. Voor beiden: de organen en de sacoche.
Maar àls het zo is, levert het natuurlijk wel de verklaring waarom vrouwen de handtas echt als privédomein beschouwen en niet willen dat iedereen er zomaar in rommelt.

En àls dat zo is, is dan ook de uitdrukking “het is in de sacoche” minder onschuldig dan ze lijkt, is ze integendeel misschien seksueel geladen? Een eigenlijk vrouwonvriendelijke uitdrukking uitgevonden door mannen, die nog steeds betekent het is klaar, het is gelukt, het is geregeld, maar dan met de onderliggende seksuele betekenis: ik heb ‘gemogen’ bij die madame, ik heb ‘m in haar ‘sacoche’ mogen steken. Oeps, gaan we nog ooit in volle onschuld dit gezegde bezigen ?

Let wel, deze conversatie had lachend plaats, en bij het nuttigen van enkele cocktails. Maar toch. ..
En toen begonnen we over het woord cocktails…

Aviva Dierckx

Aviva’s Column: Vluchten kan niet meer



We zijn allemaal oud genoeg om ons de jaarovergang van 1999 naar 2000 levendig te herinneren. De Millennium-bug die een scheet in een fles bleek. Laten we hopen de déze winter aangekondigde elektriciteits black-out hetzelfde lot beschoren zal zijn!

Intussen stijgt de spanning, en gaan sommigen zich voorbereiden alsof er een oorlog dreigt en we allemaal de schuilkelders inmoeten.

Van firma’s die relatiegeschenken fabriceren krijg ik de vraag of ik mijn contacten dit jaar, in plaats van een fles bubbels of een stylo met opdruk, niet liever een “overlevingspakket” met een zaklamp, een usb stick met krachtige powerbank en soortgelijk gerief wil aanbieden. Hahaha, goed geprobeerd. Maar dank u, nee.

Als, repeat àls, het zover komt dat ik mij op een gegeven ogenblik in een afgeschakelde zone bevind, dat rol ik me gewoon in een bolletje en doe een dutje.

Kansbereking leert dat die mogelijkheid bestaat maar niet groot is. Op de tijdstippen van mogelijk stroomschaarste (van 17 tot 20u, de normale piekmomenten van verbruik), bevind ik me meestal in onze hoofdstad, waar de kans dus het kleinst is om getroffen te worden, want voor één keer hebben de grootstedelingen een voordeel. 
Mààr, wat als ik me op dat tijdstip in een trein bevind, op weg naar pakweg een vergadering van de Liberale Vrouwen ? De twijfel slaat toe… 
Is het nou wél of niet waar dat zo’n trein ineens in een veld tot stilstand kan komen omdat in gemeente Huppeldepup het licht uitging en de trein daar niet voorbij een overweg-sein kan?

Er circuleren inmiddels evenveel vragen als kwakkels, en de overheidscommunicatie staat bol van de goede tips, maar is nog niet aan dit soort FAQs toegekomen.

Of toch: ik zie opeens dat ook telefoneren wel eens problematisch zou kunnen worden, want de overheidswebsite offon.be vermeldt in één adem “Laad je elektronische toestellen (gsm) vooraf op, vergeet echter niet dat de mobiele netwerken en de vaste telefoonlijnen gestoord kunnen worden tijdens een stroompanne”. Ja, hallo, moet ik dan toch een beetje ongerust beginnen worden?

In een overheidsbedrijf zag ik in de lift een affiche hangen “Hier staat de lift stil. Maar wij blijven gaan”. Het was bedoeld om mensen aan te moedigen om tussen 17 en 20u de trap te nemen en zo elektriciteit te sparen. Maar helaba, mannkes, dan had die affiche niet IN maar buiten de lift moeten hangen hee. Nù riep het bij mij alleen maar de vraag op: wàt met deze lift als de stroom uitvalt terwijl ik erin zit?

En ook de overheid spreekt van een noodpakket (al iets minder erg dan het ‘overlevings’pakket van de firma in relatiegeschenken) en daarin horen: zaklamp, theelichtjes, medicijnen, dekens, kleren, eventueel een radio op batterijen, wat mondvoorraad, en je kiest best één kamer in huis uit om dat klaar te leggen en met het hele gezin dicht bij elkaar te kruipen. Huh? Zo heb ik de zómer doorgebracht, maar dat was in het Midden-Oosten, onder raketaanvallen, in oorlog!

Er staat ook een tip recht uit de ‘warme samenleving’ op de overheidswebsite : “Denk aan kwetsbare personen en buren die medische hulp nodig hebben. Stel aan alleenstaande personen uit je omgeving voor om de uren van stroomonderbreking samen door te brengen”. Heel schoon!

Maar ik heb een beter voorstel: voorkomen is beter dan genezen. Laten we niet lachen met de zaak en liever vooraf vrijwillig stroom bespàren, dan wegens groot verbruik afgeschakeld te worden. 
We hebben ook van de overheid een aantal haast aandoenlijk moederlijke tips gekregen (we konden er zó het beeld bij denken van Annemie en Maggie die de koppen bijeensteken). Als we die met z’n allen toepassen tussen 17 en 20u, dan hoeft het nergens tot tekorten te komen! Met andere woorden: iedereen aan het consuminderen tussen 17 en 20uur, zowel bedrijven als enkelingen. Op dat uur geen wasmachine of vaatwasser laten draaien, de verwarming 2 graadjes lager, niet alle lichten in huis aan, kerstversiering dimmen, gezellig een kaarsje aan en een gezelschapsspelletje spelen in plaats van elk apart op tablet, X-box, gsm, televisie of elektrische gitaar bezig te zijn. En dan was er de ultieme uitsmijter, zeg nou zelf, wélk ander land heeft een regering die zijn bewoners moederlijk toespreekt en zegt: maak vooraf stoofpotjes en éénpansgerechten klaar. En nodig de buren uit. Zo is het samen leuk, én er wordt maar in één huis elektriciteit verbruikt. De warme samenleving, maar dan ter voorkóming van de ramp.

Intussen heb ik toch ook een noodpakketje (zaklamp, warme sokken, chocolade) voor als ik op trein of in lift vast kom te zitten, je weet maar nooit. Er zit ook een lege fles bij. Hopelijk geraakt daar die sch… in.

Aviva Dierckx

Aviva’s Column: De zomer van zwarte piet

Vreemde nieuwszomer, vreemde staat van de wereld. We zijn, zelfs als we niet uit onderwijs-middens komen, toch allemaal zo’n beetje geneigd om te denken dat die zomermaanden een ‘reces’ inhouden, niet enkel in het onderwijs, maar alom. In politiek, gerecht, de media. Het heet toch niet voor niets komkommertijd – dat is omdat er niets gebeurt en je de komkommers kunt horen groeien. Vlaams minister-president Geert Bourgeois vond dat hij wél nieuws had en lanceerde zijn onsterfelijke uitspraak “In volle komkommertijd is van een augurk een komkommer gemaakt”. Van ieder ander hadden we in deze uitspraak zelfs een seksuele dubbele bodem kunnen vermoeden, maar bij onze bonenstaak willen we ons geen augurken voor de geest halen.

Maar kom, gedaan met grappen. Deze zomer was het absolute tegengestelde van komkommer. Het was een zomer die tomaatrood en braamblauw om zich heen spatte. De Belgische regeringsvorming blééf spannend en aan de gang, intussen stond ook de wereld in brand, middenoosten-conflicten werden vertaald naar westerse jodenhaat, Ukraïne en Rusland dansten een gevaarlijke oorlogstango, journalisten werden onthoofd, het ebolavirus rukt op, een Yazidi-stam zit op een bergtop te beven voor een omsingelend moorddadig leger. En wààrover wordt het meest passioneel geschreven op fora? Over de zwarte piet hetze, voor of tegen het feit dat uit de sint-en-piet liedjes alle verwijzingen naar zwart, knecht en roe geschrapt dienen te worden. Ja hallo zeg, wéér zo’n discussie over een virtueel probleem, over lange tenen, misplaatste politieke correctheid en historische onjuistheid – want zwarte piet is toch alleen maar zwart omdat hij door de schoorsteen kruipt? Dat weet toch iedereen? Iemand wil het me verklaren, waarom daarover zoveel passie is en zoveel inkt vloeit: jamaar dat is dichtbij, dat is iets dat we kennen, dat ons raakt, het gaat over één persoon, het heeft een duidelijk verhaal. Euh, persoon? Een fictief personage zal je bedoelen…
Ik had liever gezien dat er meer aandacht was voor dat ene verhaal dat ons bereikte uit de naamloze massa Yazidi’s daar op die berg, het persoonlijke verhaal van dat meisje van 14 dat als cadeautje werd weggegeven aan een ISIS commandant, en vanuit haar opsluiting wist te ontsnappen. Dàt is persoonlijk én tegelijk het verhaal van miljoenen vrouwen die slachtoffer worden van seksueel geweld, daar waar men oorlog als excuus gebruikt om haat, macht en lust tot één cocktail te mixen.
Ik had liever gezien dat er meer aandacht was voor het verhaal van een oorlogsverminkte vrouw in Bukavu die na haar medische én psychologische behandeling bij Mamas for Africa toch nooit meer gere-integreerd raakt in haar dorpsgemeenschap, en een nieuw leven probeert te maken in een vrouwencoöperatief.
Ik had liever gezien dat het vrouwenhuis in Istalief, Afghanistan, niet enkel via de facebookpagina van Jenny kan verhalen over hun moeizame strijd en de moeizame overwinningen, maar eens een volle pagina in de krant waardig is.
Ik had liever gezien dat men in dat middenoosten-verhaal, in plaats van moeders die trots verklaren dat hun dood kind een martelaar is, of moeders die stellig weten dat een god het land verdedigt dat hij trouwens ook geschonken heeft, dat men in de media eerder eens was gaan zoeken naar die Vrouwen in het Zwart, Arabisch én Israëlisch, die vroeger sàmen protesteerden, en hen laten verwoorden wat deze zomer heeft betekent voor wie nog durft dromen van vrede.
Ik had liever gezien dat het droge Belga-berichtje van Unicef “één op tien meisjes wereldwijd slachtoffer van seksueel geweld” niet droogweg werd overgenomen maar had geïnspireerd om cijfers te koppelen aan een uitgespitte reeks persoonlijke en duidelijke verhalen van over de hele tomaatrood en braamblauwbeurs kleurende aardbol.
Want dat Zwarte Piet gedoe, dat is voor mij niét persoonlijk en niét duidelijk en vooral iets voor de komkommertijd, wat deze zomer écht, écht niet was.

Aviva Dierckx,
voorzitter